Ik zat laatst te kijken naar een oude aflevering van iets wat ooit een grote show moest worden. Niet van Paul de Leeuw, hoor. Die is inmiddels weer veilig achter zijn piano gekropen. Nee, ik bedoel die ene zomer, waarin we allemaal dachten: “Een hotel vol gekken? Leuk! Paul de Leeuw erin? Geniaal!” Alsof iemand een bak ijs in de zomer op tafel zet en zegt: “Voor jou alleen.”
Maar het ijs smolt. En stonk.
Hotel Hollandia was geen hotel. Het was een kermisattractie zonder kermis. Een sfeerlift zonder sfeer. Drie jaar geleden lieten ze Paul los in een nephotel, met gasten, grappen en een script dat waarschijnlijk op een servet was gekrabbeld. Het was alsof je een concert van André Rieu bezoekt… en dan een kazemat hoort.
En nu? Nu zegt Paul: “Die ellende is het me niet meer waard.” Alsof hij net thuiskwam van een date die begon met wijn en eindigde met een aardbeving.
Maar weet je wat het gekke is? Niemand had het moeten zien zien aankomen. Of toch wel? We hadden Paul al jaren niet meer zo serieus geprobeerd. En dan bedoel ik niet “serieus” als in “doodernstig”, maar serieus als in “we stoppen met lachen en doen nu alsof we een bedrijf runnen”.
Maar Paul is geen hotelmanager. Paul is de man die een feestje begint met een toost en eindigt met een brandmelder. En daar houden we van.
Toch gingen ze ervan uit: geef hem een podium, een paar gasten, een paar grappen – en poef, kijkcijfers als een koninklijk huwelijk. Maar het publiek keek, schudde het hoofd en dacht: “Nee, bedankt. Ik ga liever naar de supermarkt.”
En nu zit Paul dus met een trauma. Niet vanwege de kritiek, nee. Maar vanwege het moment dat hij in de spiegel keek en dacht: “Had ik maar gewoon gezongen.”
Maar goed. Hij leeft. Hij lacht. En wij ook. Al is het om andere redenen dan de NPO had gehoopt.
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Let me know 😘
