Renze Klamer zit weer achter het bureau. Dat zou leuk moeten zijn. Maar Albert Verlinde zegt: ‘Het is zo ongezellig.’ En hij zit er zelf bij. Elke week. Op de bank. Naast Renze. Alsof hij meedoet aan een feestje waar niemand lacht.
Je denkt: kom op, Albert, je werkt daar. Je zit in het programma. Je bent geen toeschouwer met een kop thee. Toch klinkt het alsof hij thuis zit, afstandsbediening in de hand, en denkt: ‘Zet dit eens uit.’ Terwijl hij er zelf in zit.
De kijkcijfers zijn laag. Dat zegt de bron. En de sfeer? Volgens Albert ‘ver te zoeken’. Alsof iemand de gasten heeft vergeten te vertellen dat ze moeten lachen. Of dat de warme lamp kapot is. Je ziet het aan de ogen. Geen glans. Geen vonk. Alleen maar mensen die doen alsof ze blij zijn.
Maar waarom blijft hij dan? Waarom zeg je niet: ‘Renze, ik stop’? In plaats van: ‘Het is zo ongezellig’? Dan kun je beter thuisblijven met een pak hagelslag. Dan heb je tenminste een reden om triest te zijn.
Misschien denkt Albert: als ik erover praat, wordt het beter. Alsof je zegt: ‘De soep is koud’ en dan verwacht dat iemand hem opwarmt. Maar niemand doet het. De soep blijft koud. De sfeer blijft weg. En Renze blijft praten.
Het is makkelijk om achteraf te zeggen: ‘Het ging niet goed.’ Maar als je er zelf bij zit, moet je meehelpen. Je kunt niet elke week komen, niets doen, en dan zeggen: ‘Het was saai.’ Dan ben je geen gast. Dan ben je een meekijker.
En toch. Hij blijft komen. Misschien hoopt hij dat het ooit leuk wordt. Of misschien denkt hij: als ik er niet ben, is het nog stiller. Dan is het alleen Renze en een lege stoel. En dat is nog erger dan ongezellig.
Maar echt, Albert: als het zo erg is, zeg het dan vóór de opnames. Niet erna. Dan help je meer dan met een quote in een krant.
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Let me know 😘
