Je weet dat het mis is als je drie uur lang naar een man kijkt die grappig probeert te zijn, terwijl je gastvrouw ernaast zit alsof ze op een begrafenis is. Zo voelde het afgelopen weekend: Peter Pannekoek tegenover Janine Abbring in Zomergasten. Een koppeling die op papier misschien briljant leek – grappenmaker versus nuchtere zondagmiddagpresentatrice – maar in de praktijk voelde als een WhatsApp-gesprek waarin één persoon emoji’s gebruikt en de ander alleen puntjes.
Pannekoek, altijd op zoek naar het lachen, probeerde zijn verhalen met de nodige swing. Maar Abbring? Die bleef kijken alsof ze per ongeluk in de verkeerde kamer was gelopen. Geen lachje. Geen knikje. Geen ‘aha’-moment. Niks. Alsof je een mop vertelt aan je schoonmoeder die je niet mag.
Het is niet dat Abbring slecht was. Ze was gewoon… er. Zoals een plant in een kantoortuin er is. Je ziet haar, je weet dat ze iets moet doen, maar je voelt geen leven. En Pannekoek? Die probeerde het wel. Echt. Maar drie uur is lang als je geen partner hebt in de scène. Dan word je al snel een eenmansorkest dat speelt in een lege zaal.
Misschien is dat wel het probleem van Zomergasten tegenwoordig. Vroeger had je Vrijthof, met zijn warmte en interesse. Nu heb je gastvrouwen die vooral goed kunnen luisteren – op papier een deugd, maar op tv een doodvonnis als er geen vonk overslaat. Chemie is geen extraatje. Het is de basis. Zonder? Dan heb je gewoon twee mensen die naast elkaar zitten. Met thee. En stilte.
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Let me know 😘
