Een jaar geleden lag Hélène Hendriks in het ziekenhuis met een rug die het had opgegeven alsof het een oude bank was. Operatie, herstel, pijn – je kent het verhaal. Toch zie je haar nu nog altijd staan in De Oranjezomer. Niet zitten. Niet liggen. Nee, staan. Alsof er niks is gebeurd. Alsof haar ruggengraat gemaakt is van staal.
Maar waarom? Vroeg ik me ook af. Tot ik de uitleg hoorde. “Ik kan zitten.” Dat zei Hélène zelf. Alsof het een grap was. Alsof ze zei: “Ik kan wél zitten, hoor, maar ik kies ervoor om te staan, want waarom niet?” Alsof het een modekeuze is. “Vandaag: staan. Morgen: zitten. We’ll see.”
Maar nee. Het is serieus. Ze kan zitten. Maar ze kiest voor staan. Omdat staan beter voelt. Omdat het lichaam soms zegt: “Zit niet, sta.” Of gewoon omdat een stoel in een studio een statement is van zwakte. Alsof je zegt: “Ik ben kapot.” Maar Hélène zegt: “Ik ben hier. Ik sta.” En dat is harder dan een stoel.
Ik snap het wel. Ik heb zelf ook een keer een week op de bank gelegen met een verknipte rug. En toen ik eindelijk kon staan, stond ik expres lang in de keuken. Gewoon om te laten zien: ik kan. Hélène doet dat elke week op tv. Voor ons. Voor zichzelf. Als een stille overwinning.
En misschien is dat ook waarom we haar blijven kijken. Niet alleen voor de gasten, niet alleen voor de vragen. Maar voor de vrouw die staat. Zonder stoel. Zonder drama. Zonder “ach, het gaat wel”. Gewoon: ik sta. En dat zegt meer dan een hele column.
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Let me know 😘
