De zomer is in volle gang, en terwijl de meeste mensen genieten van een ijsje bij het zwembad, zit Johnny de Mol met z’n handen onder de knie. Niet vanwege de warmte, nee: hij moet weer eens in de voetsporen treden van Hélène Hendriks. En dat is net zoiets als een slalom parcours lopen met een rugzak vol bakstenen.
Vorig jaar? Nou. Dat ging niet bepaald als een zonnetje over water. Veel gebasht, weinig gelachen. Mensen vonden hem te zwaar, te serieus, te… nou ja, gewoon: niet Hélène. Alsof je een frikandel eet na een truffelworst. Het smaakt niet hetzelfde, al is het allebei vlees.
Maar Johnny is geen type dat opgeeft. Hij zegt dat hij dit jaar “beter in zijn vel zit”. Dat hoor je vaker. Iemand zegt: “Ik voel me goed”, en dan denk je: o ja? Want de laatste keer dat ik dat hoorde, stond er iemand in een te strak T-shirt voor de spiegel met een glas wijn in z’n hand. Zelfvertrouwen is mooi, maar het helpt niet tegen een storm van meningen.
De vraag is niet of hij het aankan. De vraag is of het publiek hem aankan. Want de Oranjezomer is geen tv-programma, dat is een nationale gewoonte. Zoals stroopwafels, zonnebrand en het gevoel dat je weer te laat bent met vakantieboeken. Als je daar de leiding over krijgt, ben je geen presentator – je bent een zondebok in wording.
Maar goed, Johnny heeft wel iets. Hij is net zo hardnekkig als een muggenbeet. En misschien is dat wel het geheim: niet perfect zijn, maar gewoon blijven doorgaan. Alsof je zegt: “Ja, ik ben niet Hélène. Maar ik ben hier. En ik heb koffie.”
Of dat werkt? We zien het wel. Over een paar weken weten we weer of hij wordt opgegeten of opgewaardeerd. In de media is er weinig tussen.
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Let me know 😘
