Je ziet het aan de handen. Als Carrie ten Napel zit, kijkt ze naar haar handen. En als ze praat over Johnny de Mol, dan vouwt ze ze zachtjes. Alsof ze bidt. Maar nee, het is gewoon ongemak.
Ze zat daar, in De Oranjezomer, tussen de zomersproetjes en de zon, en vond het niks. Niet grappig. Niet fijn. Gewoon: rare kerels. Dat zei ze. Niet hard, niet boos, gewoon alsof ze een kop thee te lang had laten trekken.
Johnny de Mol, die denkt dat hij alles mag. Met zijn lach, zijn vragen, zijn manier van iemand aankijken alsof hij al weet wat je gaat zeggen. Maar Carrie niet. Zij zegt wat ze denkt. En wat ze dacht? ‘Rare kerels.’
Niet gemeen. Niet overdreven. Gewoon waar. En dat is juist het ergste. Want als iemand als Carrie – rustig, nuchter, geen drama – zegt dat het raar was, dan is het raar.
Ik zeg niet dat Johnny niks kan. Maar soms is het alsof hij denkt dat een talkshow een spelletje is. En de gasten zijn pionnen. Maar Carrie is geen pion. Zij is iemand die kijkt, luistert, en dan zegt: dit voelt niet goed.
En dan bel je je baas. Niet om te klagen, maar om te zeggen: ik wil dit niet meer. Niet zo. Niet met die sfeer. Niet met die kerels.
De rest van de wereld ziet een gast in een stoel. Maar ik zie een vrouw die haar handen vouwt, en weet: hier klopt iets niet.
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Let me know 😘
