Mijn buurman kocht vandaag geen gehaktbal. Niet omdat hij vegetariër is geworden, nee: hij zag Dries Roelvink weer op Insram. Met een gouden lepel in zijn hand, of zoiets. “Als hij nou één keer zwijgt over hoeveel euro hij per bal verdient,” zuchtte de man bij de kassa, “dan had ik er nog eentje genomen.”
Ik snap het wel. Wanneer je een product in de schap ziet liggen van iemand die erover blijft praten alsof het champagne is en geen vleeswaren, dan denk je: hé, is dit nou nog eten of alweer een merk?
Frans Duijts doet het ook, met zijn chips. En eerlijk: ik heb zijn zak nog nooit opengemaakt. Maar Dries, met zijn glimlach en zijn volksliedjes, die had ik nog vertrouwd. Tot nu. Tot de gehaktballenmarketing.
Want luister: als je zanger bent, mag je zingen. Als je ondernemer bent, mag je verkopen. Maar als je allebei doet, en dan ook nog eens in de krant staat over je winst per gram rundergehakt, dan word je geen artiest meer – dan word je een rekening.
Evert Santegoeds, die het ook zag aankomen, zegt het fijntjes: “Laat men het gewoon liggen.” En dat gebeurt nu. In de Jumbo. In de koelafdeling. Tussen de kipnuggets en de vega-burgers ligt een pak gehaktballen met de naam van een man die te veel praat.
Ik zeg: Dries, bak ze lekker, eet ze op, maar hou de rest erbuiten. Want de volgende stap is dat mensen gaan denken: smaken die dingen nou wel goed, of smaken ze gewoon duur?
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Let me know 😘
