Ik zat gisteren thee te drinken, terwijl mijn buurman voor de zoveelste keer riep: “Als ik ooit rijk ben, koop ik een huis met een jacuzzi in de tuin.” Toen dacht ik: nou, Jeroen van der Boom hoeft niet meer te dromen. Die woont al in zo’n ding.
Hij zegt het zelf trots in de krant: “Ik ben de burgemeester van de straat.” Niet de burgemeester van Amsterdam, hoor. Alleen van zijn straat. En dat begrijp ik wel. Als je zo’n huis hebt, wil je ook even laten weten dat je er bent.
Het is geen gewoon huis. Het is een miljoenenwoning aan de Apollolaan. Dat is een plek waar je normaal alleen komt als je een afspraak hebt bij iemand met een helikopter op zolder. Maar Jeroen woont daar gewoon. Met uitzicht op geld, vermoed ik.
Wat me opviel? Hij praat er niet over alsof hij zich schuldig voelt. Nee, hij zegt het met een glimlach. Alsof hij net een taart heeft gebakken en iedereen mag proeven. “Kijk, dit heb ik gedaan.” En eerlijk? Dat respecteer ik. Geen geflikflooi, geen “ach, het is maar een huis”. Nee, hij zegt: “Ik heb gewerkt, ik heb gesjongerd, ik heb belspelletjes gepresenteerd, en nu heb ik dit.”
Toch vraag ik me af: wat doet een mens in zo’n groot huis? Heb je dan niet gewoon te veel lege kamers? Ik heb al last van mijn eigen hal. Die echo. Stel je voor: je roept “schat, waar is de theelepel?” en er komt pas na drie minuten antwoord, omdat iemand vanuit de zolderkamer reageert.
Maar goed, hij is niet alleen trots op zijn huis. Hij is trots op zijn straat. En dat snap ik ook wel. Als je zoveel hebt, wil je misschien ook dat je buurt er net zo mooi uitziet. Dan word je automatisch de “burgemeester”. Niet omdat je gekozen bent, maar omdat je de mooiste bloemen hebt.
Ik vind het allemaal best. Alleen hoop ik wel dat hij af en toe nog een gewone thee drinkt. Gewoon, uit een mok. Niet uit een gouden kopje.
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Let me know 😘
