De ene omroep roept “Nederland moet zich schamen” over een Duitse voetballer, de andere roemt een dragqueen als nationaal icoon, en weer een derde produceert een documentaire waarin de grens tussen journalistiek en activisme zo dun is als een haarscheurtje in een Rietveld-stoel. Wat op zich als diversiteit wordt verkocht, is in werkelijkheid een structurele ondermijning van het enige wat nog waarde zou moeten hebben: geloofwaardigheid.
De reputatie van de publieke omroep is allang geen collectief kapitaal meer, maar een slachtoffer van individuele ambitie. Elke omroep met een eigen merkprofiel — VARA, BNN, EO — voert eigen beleid, alsof het media-onderdelen zijn van een Duitse landesrundfunk met een budget uit Almere. Maar wie draagt de schade als de zoveelste controversiële uitspraak van een programmamaker de NPO als geheel in opspraak brengt? Wie betaalt de rekening als het publiek — terecht — geen onderscheid meer maakt tussen omroep en bestel?
Kijk naar de cijfers: het vertrouwen in de publieke omroep zakt onder de 40 procent. De inkomsten uit kijkgeld dalen, terwijl de productiekosten stijgen. En toch blijft er geld stromen naar niche-initiatieven die meer dienen als persoonlijke manifest dan als maatschappelijke bijdrage. De NPO fungeert als bankgarant voor ideologische hobby’s, terwijl de ROI in aanzien en kijkcijfers in rook opgaat.
Het is tijd voor een harde rationalisatie. Of je nu over Songfestival-commentaar of een Hitler-vergelijking hebt, je mag dan misschien profiteren van een vrije microfoon — maar de rekening leg je bij de belastingbetaler. Als omroepen per se hun eigen gelijk willen kiezen, dan moeten ze ook hun eigen risico’s dragen. Anders is het geen publieke dienst, maar een verzameling lobbygroepen met een zender.
En nee, dat is geen pasklare oplossing voor een complexe context — maar wel de enige die overblijft als je de realiteit serieus neemt.
Met zakelijke groet
,
Maurits Droogleever Fortuyn
Hoofdredacteur Redia.nl | Media Business
NPO’s noodkreet ontgaat niet
Share with friends:
