Een paar dagen na een boekpresentatie komt de zin: ‘Ik had een herseninfarct.’ Alsof iemand een lampje uitdoet tijdens een spannende film. Plots donker. Geen vervolg. Gewoon: stop. En dan? Dan komt de rest. De uitleg. De blikken. De zorg. En ja, de vragen.
Maar stel: je hoort het pas nu. Vijf maanden later. Dan denk je toch: wacht. Waarom nu? Waarom dan pas vertellen als de boel weer rustig is? Als de camera’s nog draaien? Als het boek al verkocht is?
Evert van Privé snoert hem niet direct, maar slikt het ook niet. Hij zegt het niet hardop, maar je ziet het tussen de regels: ‘Kon het niet wachten?’ Was het echt nodig? Of was het een soort tweede boekendemo?
Martien zegt dat hij wilde wachten. Dat hij eerst moest bijkomen. Dat hij zijn tijd wilde nemen. En dat is menselijk. Echt. Niemand moet meteen na een ziekte de media in. Maar… de timing. Die blijft knagen. Net als een vieze vlek op een schone trui.
Want stel: je bent niet Martien Meiland. Stel: je bent gewoon Jan met een herseninfarct. Dan vertel je het aan je buurvrouw, je dokter, je zus. Maar niet aan RTL Boulevard. Tenzij je denkt: dit is nieuws. En dan vraag je je af: is het nieuws vanwege het infarct? Of vanwege Martien?
Hij heeft een boek. Hij heeft een naam. Hij heeft een verhaal. En nu ook een ziekte. En dat past mooi in het verhaal. Of is het verhaal juist daarom begonnen?
Ik zeg niet dat hij liegt. Ik zeg niet dat hij het verzonnen heeft. Maar ik vraag me wel af: zou hij het verteld hebben als er geen camera was geweest?
Misschien wel. Misschien niet. Maar de vraag blijft: wie vertelt er nou wat, en waarom?
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Let me know 😘
