Ik zat gisteren te kijken naar een oude opname van Wolter Kroes. Niet een van die grote concerten, nee, gewoon een tape van een dorpsfeest in Zuid-Holland. Muziek uit een doos, biertje in de hand, en toch: iedereen stond te klappen alsof het Koninklijk Theater was.
En dan lees ik nu dat De Toppers hem zouden willen, maar hij zegt nee. Niet omdat hij geen zin heeft in een glitterjurk of zo, nee: het geld is te mager. “Je kan beter met een tape het land doorgaan,” zegt-ie. En hij heeft een punt.
Want stel: je bent Wolter Kroes. Je zingt al jaren, je kent het vak, je weet hoe je een zaal moet vullen. En dan komt er een aanbod van De Toppers. Mooi, hè? Behalve dan dat de gage net iets te veel lijkt op wat mijn nicht verdient met haar zomerbaantje bij de Hema.
Ik snap het wel. Je bent geen jonge hond meer, je wilt niet de hele zomer in een bus zitten voor een paar euro. Nee, dan gewoon een tape maken, een paar honderd exemplaren verkopen op markten en dorpskermisjes, en lekker zelf je prijs bepalen. Geen managers, geen roddelbladen, geen discussie over wie de beste solo is.
De Toppers zoeken nu iemand om Gerard Joling op te vullen. Alsof het een stoel bij een musical is: ‘Wie wil er in deze broek zitten?’ Maar misschien is het probleem niet de broek. Misschien is het de inhoud. Of nou ja, het gebrek daaraan.
Want als Wolter Kroes, een man met een carrière als een Hollandse winter (lang en stevig), nee zegt omdat het niet lonend genoeg is… dan weet je toch iets? Dan is het misschien tijd om te kijken wat er mis is met het systeem. Niet met hem.
Ik zeg niet dat het glamoureus is om op een dorpsfeest te spelen met een versterker van de schouwburgwagen. Maar wel: je weet wat je krijgt. Geen beloften, geen spotlights die uitgaan, gewoon een cheque en een warm applaus. En soms is dat genoeg.
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Let me know 😘
