Weer iemand die roeptoeter in het rond blaast bij de allereerste rookwolk boven een kantoorpand. Philip Kok, altijd paraat met een necrologie voor de creatieve sector, verkondigt dat de industrie weer met zijn gezicht in het slijm ligt. Alsof elk faillissement van een midsize shop in Amsterdam-West een nationale rouwdag verdient. Alsof het verdwijnen van een naam op een glazen deur bewijs is van ondergang.
Alsof we niet al tien jaar lang dit zelfde drama zien: een bureau sluit, de branche huilend op LinkedIn, iemand roept ‘de glorie is voorbij’, en dan, wonder van wonder, komt er drie maanden later een nieuw kantoor op dezelfde plek – met jongere mensen, lagere prijzen, en minder illusies.
De waarheid? Niets is ooit zo broos als een creatief bedrijf dat denkt dat het cultureel erfgoed is. De markt is geen museum. De markt is een slachthuis. En wie niet snijdt, wordt gesneden.
Maar nee, iedereen moet weer meedoen aan het ritueel van het zelfmedelijden. De ‘iconische naam’ die verdwijnt – alsof er ooit iets is geïconiseerd in een sector die leeft van tijdelijkheid, van het volgende grote ding, van de volgende pitch. Alsof een logo op een deur meer is dan een factuurpost.
Wat valt er te betreuren? Dat een bedrijf niet wist hoe snel te schalen? Dat het dacht dat een ‘stijl’ genoeg was zonder een businessmodel? Dat het klanten verloor omdat het dacht dat ‘passie’ een concurrentievoordeel is?
Er is geen crisis. Er is alleen een constante sifting. Degenen die rekenen, overleven. Degenen die roepen, worden weggevaagd.
En als je dan toch zo nodig moet roepen: roep dan om degenen die bouwen. Niet om degenen die zichzelf begraven met een mooie speech.
Met zakelijke groet
,
Maurits Droogleever Fortuyn
Hoofdredacteur Redia.nl | Media Business
