‘Hard to say. Easy to visit.’ Een slogan die klinkt alsof een siair het om halfvijf heeft bedacht, terwijl de budgetverantwoordelijke al in de taxi zat. En toch: Amsterdam wil internationale toeristen naar obscure musea lokken. Niet naar het Rijks, niet naar het Van Gogh – nee, naar het Tassenmuseum. Het Verzetsmuseum. Het Museum van het Klokhuis.
De truc? Fonetische vertalingen. Want niemand weet hoe je ‘Nieuwmarkt’ uitspreekt, maar als je het als ‘Nayw-markt’ opschrijft, denkt een Duitser dat hij het snapt. Alsof taalbarrières worden geslecht met een beetje speelsheid en een flinke dosis wanhoop. Het is geen campagne, het is een noodkreet verpakt in een lach.
Want laten we eerlijk zijn: het probleem is niet de uitspraak. Het probleem is dat niemand naar het ‘Museum Het Schip’ wil, ook al zeg je het als ‘Muse-um Het Skip’. Je kunt de meest fonetisch perfecte reclame maken, maar als de inhoud saai is, blijft de zaal leeg. En wie wil er nu echt een uur doorbrengen in een bakstenen villa over expressionistische architectuur? Toch?
Amsterdam zit klem tussen haar wereldbeeld en haar bezoekerscijfers. De grote attracties zitten vol, de kleine zitten leeg. En in plaats van inhoud te verbeteren, kiest men voor een grapje in het Engels. Alsof toeristen met een lach op hun gezicht naar het Grachtenhuis stromen omdat ‘Herengracht’ nu ‘Hairrren-ghart’ is. Alsof dat de waarde vergroot.
De echte barrière is niet fonetisch. Die zit in het businessmodel. De kleine musea bestaan op subsidies, niet op bezoekers. Zonder Oranje, zonder hype, zonder Insrammoment – geen publiek. En geen campagne, hoe slim ook, redt dat.
De volgende keer: minder klankbord, meer klank. Of beter: sluit gewoon twee van de drieëntwintig musea over het waterstaatbeleid uit de achttiende eeuw.
Met zakelijke groet
,
Maurits Droogleever Fortuyn
Hoofdredacteur Redia.nl | Media Business
Hard to say, dood eenvoudig
Share with friends:
