Er stond weer een rij mensen met microfoons. Alsof het een concert was. Maar dan zonder muziek. Jan Smit kwam binnen, glimlachte naar de camera’s die hij niet zag, en liep door. Gewoon door. Alsof er niemand stond. Alsof het gewoon een gang was, en niet de rode loper van een filmpremière.
Niemand durfde iets te roepen. Of misschien wel, maar hij hoorde het niet. Of wilde het niet horen. Weet je wat grappig is? Dat ze nog steeds denken dat hij iets gaat zeggen. Elk jaar weer. Zelfde film, andere titel. Zelfde microfoons, andere mensen. Zelfde Jan Smit: weg.
Hij speelt een rolletje in Oma Cor. Een klein beetje. Net genoeg om te mogen komen. Maar niet genoeg om te moeten blijven. En dat is precies wat hij doet. Komt, glimlacht, verdwijnt. Zo snel dat de vragen nog in de lucht hangen als hij al in de auto zit.
De pers zegt: “Gelijk weg.” Alsof hij iets fout deed. Alsof je verplicht bent om te blijven als je naam op een lijstje staat. Maar Jan Smit denkt daar anders over. Hij is geen showbink. Hij is geen praatpaard. Hij is gewoon iemand die een keer per jaar zegt: “Nee, dank je.”
En weet je wat het gekke is? Iedereen vindt het raar. Alsof we vergeten zijn dat je nee mag zeggen. Zeker als je beroemd bent. Dan moet je praten. Lachen. Uitleggen. Zelfs als je niks te zeggen hebt. Maar Jan Smit heeft blijkbaar wél iets te zeggen – alleen niet tegen de pers.
Misschien is dat ook wel het probleem. Hij zegt het wel, maar dan op zijn manier. Door weg te lopen. Door te zwijgen. Door gewoon te zijn. En dat is harder dan praten.
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Let me know 😘
