Er zit een man in een pak van zorgvuldig gekamd haar en een glimlach die nooit slijt. Jan Smit. Je kent hem van de zomer, van de kerst, van elk moment waarop Nederland een beetje te vrolijk wordt. Maar nu? Nu kijkt een imago-expert ernaar en zegt: ‘Dat is nep.’ Niet gemeen, hoor. Gewoon vaststellen, zoals iemand zegt: ‘Je sokken passen niet bij je broek.’
Zabeth van Veen, die weet waarom mensen geloofwaardig of ongelofwaardig overkomen, zegt dat er iets is aan Smit wat niet echt is. Een soort glimlach die niet in de ogen komt. Alsof je lacht terwijl je denkt: ‘Waar is mijn thee?’
Het is niet dat hij iets verkeerds doet. Hij zingt, presenteert, lacht. Maar precies daar ligt het. Hij lacht altijd. Ook als het niet klopt. En mensen merken dat. Niet meteen, hoor. Eerst denk je: leuk, die man. Dan denk je: hè, waarom lacht hij nu? En dan denk je: o ja, hij lacht altijd. Zelfs na een scheiding. Zelfs als hij boos is. Zelfs als hij een nieuw liefje heeft en de camera’s erop wachten dat hij menselijk is.
Misschien is dat de prijs van het leven op tv. Je wordt een soort huisvader met microfoon. Altijd vrolijk. Altijd aanwezig. Altijd ‘leuk’. Maar mensen willen geen acteur. Ze willen een mens. Iemand die soms kwaad is, soms verdrietig, soms gewoon stil.
En nu zegt een expert: ‘Hij speelt al jaren.’ Alsof hij nooit is gestopt met de zomereditie van 2003. Alsof hij bang is dat als hij stopt met lachen, de muziek ook stopt.
Maar weet je wat? Wij kijken toch. We zien het. We voelen het. En we willen geen perfecte glimlach. We willen iemand die af en toe zegt: ‘Nee, het gaat niet goed.’ Of gewoon: ‘Laat me met rust.’
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Let me know 😘
