Nou, daar zat Joost Vullings dan. Met zijn nette das, zijn vlotte vragen, en zijn camera’s die alles vastleggen. En dan komt Ferd binnen. Niet met een boeket, nee, met een blik alsof hij al tien minuten in de regen staat te wachten op een tram die nooit komt.
Het begon zo onschuldig. Een beetje praten over oude appjes. Niets bijzonders, toch? Maar toen Joost – heel voorzichtig, hoor – een paar scheldwoorden uit Ferd’s privéchatjes aanhaalde, ging de deur dicht. Letterlijk.
Ferd: “Ik ben hier niet voor gekomen!”
Joost: “Maar meneer Grapperhaus, u bent toch uitgenodigd?”
Ferd: “Niet om me te laten bekogelen met oude appjes!”
En weg was-ie.
Alsof je naar een etentje gaat en je gastvrouw begint over je scheiding. Onhandig. Onprettig. En toch… waarom was hij er dan?
Want laten we eerlijk zijn: als je minister bent geweest, en je hebt appjes vol scheldwoorden, dan weet je toch dat die ooit uitkomen? Het is net als eten met een vork: als je het doet, blijft er altijd wat op je kin hangen.
Maar nee. Ferd denkt: ik ben sterk. Ik draai de rollen om. Ik ga niet over mijn appjes praten, maar over de vragensteller. Slim? Misschien. Maar het werkt niet als je halverwege opstaat en wegloopt. Dan lijkt het alsof je je broek vol scheldt, maar dan niet in een appje – in het echt.
En Joost? Die blijft zitten. Met zijn vragen. Zijn microfoon. Zijn ongemak. Net als wij, eigenlijk. Thuis, op de bank. Met onze thee. En onze afstandsbediening.
We zien het allemaal. Maar niemand zegt iets. Totdat iemand – zoals Ferd – de stopknop indrukt.
Dan denk je: o ja. Daar was-ie weer. De man die nooit wilde dat iemand zijn telefoon zag.
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Let me know 😘
