Er zat een man in een tv-programma. Hij zei iets over Aziaten. Dat ze op elkaar lijken. Met zwart haar en bruine ogen. En toen ging het mis. Of eigenlijk: nee, toen ging het pas echt beginnen. Want opeens stond iedereen te schreeuwen. Over racisme. Over gevoeligheden. Over wat je wel en niet mag zeggen.
Maar dan komt Mischa Blok. Alsof ze een kop thee inschonk. “Ja, Aziaten lijken op elkaar.” Alsof het over weer of broodbeleg gaat. Geen drama. Geen zucht. Gewoon: zo is het. En weet je wat gek is? Ze zegt het met zo’n nuchtere stem dat je bijna denkt: heeft ze een punt?
Maar dan denk je: wacht. Is dat nou oké? Mag je dat zeggen? En dan denk je weer: maar is het nou niet gewoon waar? En dan denk je: wacht, waarom denk ik dit eigenlijk?
Ik zit hier met mijn afstandsbediening in de hand. Kijk naar het nieuws. En het gaat weer over uitspraken. Niet over voetbal. Niet over Japan. Niet over het WK. Maar over hoe we tegen elkaar praten. Of liever: hoe we reageren als iemand iets zegt wat niet past in de huidige toon.
Rafael zegt iets. Mischa steunt hem. En wij? Wij pakken de fakkel. We branden de tekstboeken door. We roepen: “Nee!” Maar stel: stel dat het gewoon een grap was? Stel dat het stom was, maar niet kwaad bedoeld? Moet het dan meteen einde oefening zijn?
Ik weet het niet. Maar ik weet wel dat ik het zat ben. Zat van het eeuwige schelden. Van het direct veroordelen. Van het feit dat niemand meer mag lachen zonder dat er drie mensen roepen: “Dat mag niet!”
Ik wil niet naïef zijn. Maar ik wil ook niet bang zijn. En ik wil zeker niet dat we alles plat gaan strijken uit angst om iemand te kwetsen. Want dan houden we alleen nog maar stiltes over. En stiltes zijn saai. En saai is ook geen goed nieuws.
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Let me know 😘
