Een half uur zingen. Een kop thee maken. Allebei duren ongeveer hetzelfde. Maar terwijl mijn thee niks kost, behalve water, theezakje en een snelle klik op het koffiezetapparaat, krijgt Jan Smit bijna negentienduizend euro. Voor hetzelfde tijdsbestek.
Zijn manager vindt dat terecht. “Artiesten moeten ook kunnen leven,” zegt hij, alsof Jan Smit elke avond met een lege koelkast zit en zijn kinderen met tweedehands schoenen naar school stuurt. Maar goed, misschien is dat zo. Misschien is het allemaal een grote vergissing en zit Jan gewoon in een goedverwarmde caravan achter het podium, met een bevroren maaltijd in de magnetron, terwijl de rekening van zijn zoon’s tandarts weer op tafel ligt.
Maar kom. Wie betaalt bijna negentienduizend piek voor een half uur karaoke, ook al zing je “Morgen” zonder valse noten? Bedrijven. Feestcomités. Mensen met te veel geld en te weinig idee wat een normaal tarief is. En misschien, heel misschien, denken ze: als we Jan Smit boeken, dan voelt het alsof we iets groots doen. Alsof we de koning uitnodigen, maar dan met een accordeon.
Toch blijf je vragen: waarom? Waarom nu? Waarom zo veel? Is het de muziek? De nostalgie? Of is het gewoon het gevoel dat je iets exclusiefs koopt, terwijl het eigenlijk gewoon een man is met een microfoon en een oude hit?
Ik zeg niet dat hij niets waard is. Ik zeg alleen: mijn buurman zingt net zo goed, en die vraagt niks. Alleen een glaasje wijn. En soms een stuk taart.
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Let me know 😘
