Je zit daar, met je thee, afstandsbediening in de hand, en dan flitst weer zo’n naam over het scherm: Thijs Römer. Weer. Alsof we hem niet al genoeg kennen. Alsof de geschiedenis zich niet al vaak genoeg herhaald heeft.
Hij zegt: “Niks.” Geen verdienmodel. Geen winst. Geen cent over de rug van slachtoffers. Alsof het een soort examen is: wie zegt het meest overtuigend “ik verdien niks”?
Z’n oom Paul – ja, die Paul Römer, die ooit televisie maakte van alles wat bewoog – staat naast hem. Familie. Steun. Een beetje als een ouderwetse advocaat die zegt: “Mijn cliënt is onschuldig,” terwijl de foto’s duidelijk zijn.
Maar Thijs zegt: “Er passen maar vijftig mensen in de zaal.” Alsof dat een excuus is. Vijftig mensen. Vijftig betalende mensen. Vijftig keer een kaartje, een drankje, een zitje. Vijftig keer iemand die komt kijken naar het verhaal van een man die veroordeeld is voor zedendelicten op minderjarigen.
En dan zeg je: ja, maar hij verdient er niks aan. Hij zegt het zelf. En zijn oom zegt het ook. Maar waarom zeggen ze dat eigenlijk zo vaak? Waarom moet je dat telkens weer benadrukken, alsof je een kind bent dat zegt: “Ik heb niks gedaan!” terwijl je handen chocolade zitten?
De mensen stuiten zich eraan. Terecht. Niet omdat hij geld zou verdienen – misschien verdient hij echt niks – maar omdat hij weer in het licht staat. Omdat hij weer het verhaal mag vertellen. Omdat hij weer mag bestaan in de media, terwijl anderen, slachtoffers, vaak in stilte verder moeten.
Een theatershow. Vijftig stoelen. Vijftig keer: “Kijk, ik ben ook een mens.” Maar soms is het genoeg om te zeggen: nee. Niet hier. Niet op deze manier. Niet op deze rug.
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Let me know 😘
