Weet je wat ik nooit snap? Mensen die zeggen: ‘Hij leefde te hard.’ Alsof je zacht kunt leven en dan opeens op een servetje wordt getekend door iemand die op het punt staat om te verdwijnen. Herman Brood zat in het Hilton, niet in een kerk, hoor. Hij zat geen boete te doen. Hij tekende. Met een potlood of een stift, geen idee. Maar wel op een servet. Alsof het niks was. Alsof het zomaar een dag was.
En dan denk je: wat teken je als laatste ding? Een landschap? Een engel? Nee, natuurlijk niet. Jort Kelder. Precies. Die Jort. Met de das en de vaste glimlach. Alsof die man ooit een verrassing was. Maar Brood tekende hem. Waarschijnlijk met een glimlach om zijn mond, want zo was hij. Altijd aan het lachen, terwijl hij eigenlijk huilde. Of omgekeerd. Dat maakt niet uit. Het gaat om het servet. Het gaat om het moment waarop niemand iets wist, behalve hij misschien.
Ik heb geen idee waarom hij juist Jort tekende. Misschien was hij er gewoon. Misschien was hij het laatste gezicht. Of misschien vond Brood het gewoon grappig. Een serieuze man in een hotel, met een servet waarop een rockster hem tekent alsof hij een poster wordt. Alsof je op het punt staat om weg te waaien, en je laat nog snel iets moois achter. Niet voor de geschiedenis. Voor het gevoel.
Tachtig jaar geleden geboren. Alsof je dat viert met een taart en een kaars. Alsof je zegt: kijk, wat een leven. Maar hij leefde in uren, niet in jaren. En dan is het einde opeens een servet in het Hilton. Geen speech. Geen interview. Geen documentaire. Gewoon: hier, Jort, dit ben jij, volgens mij. En dan weg.
We maken er altijd iets groots van. De dood. De roem. De kunst. Maar soms is het gewoon een man die iets tekent op iets wat je weggooit. En dat is het mooiste wat hij kon doen.
Liefs, Carla
Carla’s Column | Nieuwtje? Let me know 😘
